Nieuws

Biologische Indicatoren voor de bodemkwaliteit in Nederland

Gepubliceerd op
15 april 2021

Het ontwikkelen en uittesten van biologische indicatoren voor de bodemkwaliteit is ontzettend belangrijk. Het BO-akkerbouw project bodembiologie heeft dit als hoofddoel. In dit nieuwsbericht geven we een update over de aanpak en een paar eerste resultaten.

Biologische metingen in Bedrijvennetwerk Bodemmetingen

In de PPS Beter Bodembeheer wordt ook gewerkt aan het selecteren van bodembiologische parameters die indicatief zijn voor een goede bodemkwaliteit en het vaststellen van referentie- en streefwaardes voor deze parameters. Om dit te bereiken is het Bedrijvennetwerk Bodemmetingen opgericht, bestaande uit 16 akkerbouwbedrijven in heel Nederland. Op elk bedrijf zijn er op twee velden een groot aantal bodemparameters gemeten waaronder ook een aantal bodembiologische parameters. Hieronder vallen bijvoorbeeld metingen m.b.t. phospholipid fatty acids (PLFA) als indicatie van verschillende micro-organismen en het analyseren van aaltjes.

Verder zijn biotoetsen gebruikt om de weerbaarheid van de grond tegen Pythium ultimum en Rhizoctonia solani te bepalen. Alle data zijn verwerkt en gevisualiseerd voor alle bedrijven met klei- en zandgrond. Daarnaast zijn er ook correlaties tussen verschillende parameters berekend. De resultaten zijn gedeeld en besproken met de deelnemende bedrijven en binnenkort wordt een overall rapport met alle resultaten gepubliceerd. We kunnen in dit nieuwsbericht al enkele voorlopige conclusies melden.

Eerste resultaten PLFA-metingen

Uit de PLFA data blijkt dat de meeste bedrijven relatief meer bacteriën dan schimmels hebben en dat de verhouding Schimmel/Bacterie op de zand en löss percelen gemiddeld genomen iets hoger uitkwamen (zie figuur 1). Dit is een indicatie dat de meeste akkerbouwbedrijven hun bodem intensief gebruiken, de bodems bacterie-gedomineerd zijn en dat op de lichtere grondsoorten iets meer schimmels voorkomen.

Schimmel-bacterie verhouding PFLA.png

Fig. 1: Verhouding van PLFAs afkomstig van schimmels en bacteriën in alle gemeten percelen; percelen met kleigrond zijn aangeduid in blauw, percelen met zandgrond in geel en percelen met lössgrond in grijs; het gemiddelde voor respectievelijk klei- zand- en lössgrond is aangeduid met een oranje lijn.

Eerste resultaten aaltjesmetingen

Bij de aaltjesdata kwam naar voren dat er bij de zand- en de lösspercelen sprake was van een hogere diversiteit aan verschillende voedselgroepen in vergelijking met de kleipercelen (zie figuur 2). In de zandpercelen werden ook hogere aantallen plant parasitaire aaltjes gevonden. Dit komt overeen met eerdere ervaringen dat de meeste plant parasitaire aaltjessoorten voorkomen op de lichtere zandgronden. Waarschijnlijk zijn de leefomstandigheden van de meeste soorten beter op zand dan op kleigronden. Dit geldt in veel mindere mate voor de soorten die een groot deel van hun levencyclus in de plant leven, zoals de meeste cyste-aaltjes.

Diversiteit.png

Fig. 2. Aaltjesdiversiteit per bedrijf (aantal groepen) voor klei- (blauw), zand- (geel) en lössgronden (grijs) en het gemiddelde voor respectievelijk klei- en zand- en lössgrond is aangeduid met een oranje lijn.

Eerste resultaten biotoetsen

In sommige velden met kleigrond kon een weerbaarheid tegen Pythium worden aangetoond dit bleek gecorreleerd met de bacteriële biomassa en het aantal Actinobacteria. Dit resultaat past bij de hypothese dat weerbaarheid tegen Pythium afhankelijk is van de algemene bodemactiviteit en biodiversiteit. Weerbaarheid tegen Rhizoctonia kon slechts voor enkele velden worden vastgesteld, maar dit was niet gecorreleerd met een andere biologische parameter. Weerbaarheid tegen Rhizoctonia is vermoedelijk afhankelijk van de aanwezigheid van specifieke antagonistische organismen.

Meer metingen en uitgebreidere analyse volgt

Nieuwe data die in het najaar van 2021 verzameld gaan worden en een integrale analyse van alle data moeten meer informatie gaan opleveren over mogelijke referentie- en streefwaardes en over de invloed van verschillende beheersmaatregelen. In de toekomst worden de data van het bedrijvennetwerk ook vergeleken met de resultaten uit enkele lange termijn experimenten.